woensdag 30 juni 2010

Met trots presenteer ik...

Het is ongelofelijk, maar waar.

De vakantie is begonnen. Mijn bureau is maagdelijk opgeschoond. Ik was ontsteld over de hoeveelheid tekst die ik dit jaar verwerkt blijk te hebben.

Het was een spannend, maar al met al zeer bevredigend jaar.

Het rumoer rond allerlei bezuinigingen zal aan niemand geheel voorbijgegaan zijn. Allerlei volk heeft in de startblokken gestaan met emmers vol modder en rotte tomaten. Alleen is niemand duidelijk waar e.e.a. heen geworpen moet worden. Uiteindelijk zijn we er toch met z’n allen verantwoordelijk voor, dat de keuze om het geld dát er nog is liever niet aan kunst of onderwijs, laat staan aan allebei te spenderen, hoogstwaarschijnlijk gemaakt is. Welke uitkomst alle formatiegesprekken ook gaan hebben.

Gelukkig leert de ervaring, dat dingen in golfbewegingen verschijnen en verdwijnen.

We hebben 25 juni dertien (13!) Bachelordiploma’s en één propedeusediploma kunnen uitreiken. En dat is veel, zeker in het licht van het feit dat we twee diplomamomenten per jaar hebben.

Dertien kersverse en steengoeie collega’s erbij! Elk met een eigen, waardevol profiel. En dan zeggen ze dat het niet best gesteld zou zijn met het muziekonderwijs! Aan hen zal het niet liggen.

Het was een fantastisch feest, vrijdagavond. Dat er even niemand de Rode Loper had neergelegd, deed daar niets aan af. De Fentener –van Vlissingenzaal was afgeladen vol, het ensemble heeft prachtig gespeeld en gezongen onder de fantastische leiding van vier fantastische arrangeurs. Het was echt een eer om mee te mogen spelen. En wat een heerlijke nummers. Alle gediplomeerden hebben zich ook nog eens persoonlijk muzikaal gemanifesteerd.

Het werkveld mag tevreden zijn.

Dat het voor een opleiding lastig is, om geheel aan de wensen van dat werkveld te voldoen, lijkt me helder. Uiteraard zijn daar de bezuinigingen. Maar volgens mij speelt de voortgang van de maatschappij en een duidelijk andere achtergrond van de generatie die we nu opleiden (er is haast niemand meer, die veel orkestervaring heeft en al helemaal niet met een forse klassieke basis, bv) een grotere rol.

Als je in het voortraject nooit bewust Bach van Mozart hebt moeten onderscheiden, omdat je je muzikaal vooral als hardrock drummer hebt bekwaamd, betekent dat nog niet dat je geen goede muziekdocent kunt worden. Dat blijkt maar weer. Maar wel, dat je, op dát vlak een schier on-inhaalbare achterstand hebt.

We mogen niet vergeten, dat die hardrock drummer put uit een misschien wel enorme bak met muzikale bagage, waar ik amper weet van heb. Welke bagage is beter? Ik durf het niet te zeggen. De discrepantie ontstaat wel, als de mensen die bepalen wat de inhoud van het eindexamen moet zijn, zich nog altijd baseren op een voornamelijk klassieke bagage (zoals die van mij, bv), óók bij het formuleren van vragen en opdrachten rond fragmenten uit pop- en jazzgenres (om van wereldmuziek maar helemaal niet te spreken).

Wie weet wat er gebeurt, als langzaam maar zeker de 'grijze mannen' vervangen worden door de Generatie Einstein...

Generatie Einstein, here you come!

Mijn zegen heb je.

woensdag 17 maart 2010

Creatieve processen

Sinds september studeer ik weer. De Master Kunsteducatie aan ons wonderschone instituut. En als ik Linda, mijn tutor, tegen het lijf loop, die mij wat vertwijfeld vraagt hoe het gaat (met die master), verras ik mijzelf steeds weer met het enthousiasme waarmee ik blijkbaar enorm aan het denken ben over creatieve processen in de verschillende kunstdisciplines. Weinig concreets op papier, maar toch.

Met het team van de interdisciplinaire lijn hebben we op het moment tamelijk intensieve vergaderingen, waarin we debatteren over het Hoe en Waarom van de HKU-mix, WVO, het CAP en de interdisciplinaire stages.

Eindelijk (na ruim zes jaar...) kwamen we tot het inzicht, dat de verschillende faculteiten (muziek, theater en BKV) nogal verschillend omgaan met hun, monodisciplinaire, kunstzinnige maakprocessen. Waar theater en BKV vanaf het begin heel bewust bezig zijn met het vormen van het kunstenaarschap bij hun studenten, is muziek (misschien een tikkie kort door de bocht) vooral bezig met het Ambacht: hoe zet ik m’n handen neer op de piano, hoe vermijd ik stemknobbels, welke akkoordverbindingen passen in welke stijl en kan ik ze ook spelen.

Als muzikant roep ik dan ook regelmatig, dat we ons dat moeten realiseren en dat de muziekstudenten wellicht niet zo’n pakket aan Hoe-Profileer-Ik-Mij-Als-Maker-In-Mijn-Discipline-vragen meekrijgen vanuit hun opleiding als de studenten theater en BKV.

Ik ben mij dingen af gaan vragen, zoals: In hoeverre is een reproducerend kunstenaar ook Maker? Verhoudt een violist zich op eenzelfde manier tot de componist als een vertaler zich verhoudt tot de schrijver? En hoe zit dat dan met de arrangeur? Of de maker van een film naar aanleiding van de laatste bestseller? Hoe verhoudt de fagottist zich tot de dirigent? Is dat vergelijkbaar met de acteur en de regisseur?

Tegelijkertijd spoken de kerndoelen en de eindtermen die het ministerie voor het vak Muziek heeft vastgesteld door mijn hoofd. Alles welbeschouwd, zou je moeten constateren dat een kwart van het programma bestaat (of: zou moeten bestaan) uit Ontwerpen (improviseren/componeren). Maken, dus. De muzikant als maker.

Hmm.

Er lijkt iets een beetje uit evenwicht. Want we worden geacht te kunnen beoordelen Wat er gemaakt wordt. Waarom de keuzes die gemaakt zijn toevoegen aan de Artistieke Waarde van het product. Of zo. Toch weten we van alles over het Hoe, en hebben nogal de neiging om dat Hoe te beoordelen. Maar je zou kunnen stellen dat het Hoe tamelijk zinloos is, als er geen Wat is.

Gisteren, tijdens weer eens zo’n Interdisciplinaire vergadering, over het Wat, Waarom én Hoe, frummelde onherroepelijk Korthage door mijn brein: we hebben wél een enorm pakket Vragen tot onze beschikking bij Docent Muziek. We zetten ze alleen veel te smal in.

Iets zegt me, dat ik niet als eerste deze brainwave krijg. Dat waarschijnlijk hordes collegae nu denken “Dûhûh... moet je dáár op kosten van de gemeenschap een Máster voor doen?!”

Tja. Visie vormt zich blijkbaar in z’n eigen tijd. Inzicht komt pas, als je de goede lamp aan doet. En wat nu de Goede Lamp lijkt, kan morgen toch te duister blijken, als er plotsklaps een Volgspot aan gaat.

Misschien moet ik eindelijk maar eens echt gaan lezen: Csikszentmihalyi en Kundera, om te beginnen. En blijven praten. Met Til, Joep, Thera, Karin, Tet, Suzan, en zo voorts, en zo voorts.

We komen er wel.